Opgelijste zondes en verbeterpunten

Sinds 29 april probeer ik zo vleesloos als mogelijk door het leven te gaan. Ik kan niet wegstoppen dat ik af en toe behoorlijk zit te watertanden. Ik mis vooral de vetzakkerij, zoals van die onnozele salamidingeskes bij de aperitief en zo. En ook het idee van een leven zonder af en toe eens een behoorlijke, nog halfrauwe (sorry daarvoor) biefstuk zit me nog niet helemaal lekker.

In mijn vriendenkring doet het ook wenkbrauwen fronsen. Enkele mensen zijn bijzonder enthousiast, vooral een paar collega’s die voltijds of grotendeels voor de veggie-optie zijn gegaan. En ik wil het ook niet moeilijk maken voor anderen. Dus af en toe ga ik eens uit de bocht. Ik ben er nog niet aan uit hoe ik daarmee om moet gaan, eigenlijk. Wellicht zijn het pekelzondes, maar ergens blijft het wringen:

  • de eerste mei op restaurant, met mijn ma: garnaalkroket en eend
  • op moederdag: de asperges met garnalen die de mama met veel liefde zelf had gepeld
  • op het laatste kookfeestje: de onweerstaanbare geur van de braadresten na het bakken van coquilles in boter. Ik heb er een stuk brood in gedopt, en heb dat met veel smaak en evenveel schuldbesef naar binnen gespeeld.
  • het etentje bij de buren, waarbij de veggie quiche helaas geheel en al uit prei was opgetrokken en ik dus maar voor de broccoli-zalm-optie ben gegaan.

Er zijn vast ergere dingen in het leven, maar toch loop ik daar lastig van.

Het kan volgens mij trouwens ook op alle andere vlakken nog veel beter. Ik gooi teveel eten weg, wegens een absolute ramp in het plannen van mijn leven. Ik sorteer onvoldoende, al was het maar omdat ik het vertik van die groene larvenbakken te gebruiken (wegens: een rijhuis is niet geschikt om bakken met rottend eten door te slepen). Zuivel blijft een zwak punt. Melk en yoghurt afzweren zou misschien nog lukken (al vind ik dat behoorlijk lekker) maar van kaas kan ik echt niet afblijven. Ik vraag me ook af hoe gezond het allemaal is. Uit gemakzucht val je toch vaak terug op zo’n veggieburger, en ik weet niet in hoeverre die dingen echt goed voor je zijn.

Aan de andere kant: het heeft ook zijn goede punten. Ik eet nog steeds teveel troep, maar volgens mij ook wel meer dingen die echt goed voor me zijn. Dus niet meer: staand voor de koelkast een half pak gekookte ham naar binnen werken, maar wel: knabbelen op dadels en pompoenpitten en dergelijke. Ik voel me fysiek niet echt waarneembaar beter, maar zeker niet slechter. Ik ontdek nieuwe manieren om met eten om te gaan. Ik ga er van uit dat ik ondertussen toch ook al een paar kiekens heb gered. Ik denk dat het vooral dat is wat me verder drijft: ik kan geen stuk vlees meer zien liggen zonder te denken aan het menu vol “dead stuff” van Scarlet Thomas. Het idee alleen al gaat me op dit moment echt niet af.

Ik ben nog hard op zoek naar een manier om het goed te doen. Voor mijn omgeving, maar ook voor mezelf. Ik ben dan ook met enthousiasme in het boek van Pollan gedoken. Misschien kom ik uiteindelijk wel ergens halfweg uit?

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Culinaire Toestanden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s